Visser in de Stad
Leidsch Dagblad - 2005/2006Visser in de stad heet mijn column die wekelijks (op dinsdag) in het Leidsch Dagblad verschijnt.
Hier een selectie van enkele persoonlijke stukjes die ikhet prijsgegeven aan de krant waar ik mijn journalistieke loopbaan eind 1977 ben begonnen.
EEN VISSER VAN NIETS
De naam doet anders vermoeden, maar ik ben een visser van niets. Ik mag graag aan de waterkant verpozen, maar daar hoeft wat mij betreft geen hengel aan te pas te komen. Staren naar een dobber wil ook nog wel lukken, maar wat er onder water gebeurt, wil ik niet weten. Het liefst heb ik dat de beet uitblijft zodat ik ongestoord kan staren en mijmeren. Niet bepaald een visser dus.
Zondagochtend echter maakte ik in alle vroegte mijn opwachting aan de Friese zuidkant van het IJsselmeer, gewapend met een hengel en uitgerust met een potje wormen en een pakje brood. Maar de dobber heeft het water niet gehaald want mijn zoon van vier, die zo nodig moest vissen, waaide zo'n beetje uit zijn verschoning. Het was steenkoud, de wind bulderde ons tegemoet en die kleine stond te beven als een juffershond.
‘Pap', riep hij klappertandend, ‘is hier ook nog ergens een rustig plekje? 'We verkasten naar een vaart bij Staveren, naar een kalm stekkie, lekker in de luwte. Na een half uurtje zonder leven was het klaar. De verveling sloeg toe. ‘Laten we wat anders gaan doen pap'. Ik vond het al lang best. Wordt dus ook geen echte visser, mijn oudste zoon. Mooi.
Toen ik zondagochtend in het Staverse water stond te turen, vroeg ik me af wanneer ik eigenlijk voor het laatst een dobber te water had gelaten. Dat moet toch gauw een jaar of vijfentwintig terug zijn geweest toen ik verzeild was geraakt in een viswedstrijd van de Leidsche Football Club. Het bestuur van LFC tegen de Leidse pers ter ontspanning en vermaak, een hengelduel als alibi voor een zuippartij. Ik herinner mij liederlijke taferelen en een nat pak voor menige betrokkene.
Stomtoevallig ontdekte ik gisteren hoe het was begonnen dat jaarlijkse visfestijn waarmee het LFC-bestuur de plaatselijke voetbalpers trachtte te paaien. Ik bladerde door een maandagkrant uit 1962, op zoek naar iets wat er nu even niet toe doet, en midden tussen het eredivisieoverzicht ontwaarde ik het kopje Viscontact. Tussen de bloedserieuze bijna plechtstatige voetbalverslagen stond een wonderlijk frivool stukje over ‘een alleraardigst initiatief' van het LFC-bestuur.
‘Bij Allemansgeest', stond er, op de scheiding van Leiden en Voorschoten, ‘zetten voetbalbestuurders en sportjournalisten zich ernstig aan de strijd, hetgeen LFC-voorzitter Van Waveren nogal moeite kostte omdat zijn haakje zich hardnekkig in zijn sok had vastgebeten.' Maar met veertien tegen tien vissen won LFC van de pers die versterking had gekregen van de LFC'ers Bouk en Jan Pijnakker, samen goed voor negen vissen. Het tiende exemplaar werd aangeleverd door een hengelaar van het Vrije Volk maar die bleek zijn slag 's ochtends vroeg op de markt te hebben geslagen. Het opzienbarende visverslag is niet ondertekend, maar de schrijver spreekt de hoop uit dat de wedstrijd een vervolg krijgt.
Twintig jaar verder was er sprake van een traditie en zat ik ergens tussen Voorhout en Noordwijk te hopen dat mijn dobber boven water zou blijven. Toen de balans werd opgemaakt, stond ik tot mijn eigen tevredenheid met lege handen. De juryleden Flip Massaar en Albert Klunder riepen om het hardst dat ik mijn naam geen eer had aangedaan. ‘Houen zo', riep ik terug.
HET BEZOEK VAN DE TUINMAN
Het is kwart over vier in de vroege, vroege morgen en ik sta mij te scheren. Zojuist hebben ze gebeld van het ziekenhuis, om te zeggen dat mijn vader is overleden. Ik trek het mesje behoedzaam over mijn kin en stel enigszins verbaasd vast dat ik ijzig kalm ben. Zou ik een shock verkeren? Absurd natuurlijk dat ik nu toilet sta te maken, terwijl mijn vader op me ligt te wachten. Maar het zal de laatste keer zijn dat ik hem onder ogen kom en ook al heeft hij zijn luiken gesloten, ik wil er straks gesoigneerd uit zien. Hoe vaak heeft mijn vader niet gevraagd of ik een scheermesje van ‘m moest lenen als ik weer eens met ongeschoren tronie in het ouderlijk huis mijn opwachting maakte. Vandaar dat ik nu, in het holst van de nacht, een ingezeept gelaat in de badkamerspiegel zie.
Het is nog aardedonker als ik mijn auto voor het ziekenhuis parkeer. Mijn jongste zus drentelt al ongedurig bij de ingang heen en weer. Ze komt van verder, maar ze is er eerder, omdat ik me nog zo nodig moest scheren. We omhelzen elkaar en huilen even. Gelukkig voor mijn vader is het afgelopen, zijn laatste maanden waren een kwelling. Mijn zus en ik zijn een soort van opgelucht, maar ook verdrietig. We realiseren ons dat we vanaf vandaag weeskinderen zijn.
Ik zit in de tuin en kijk naar ons schuurtje, het laatste bouwwerk van mijn vader. Vijf jaar terug heeft hij dit gebruiksvriendelijke hok in elkaar getimmerd en ik weet nog dat ik het vreemd vond dat hij er zo lang over deed. Voor zijn doen dan. Mijn vader was een ras doe-het-zelver, zo een van: wat zijn ogen zien, maken zijn handige handen.
Maar dat schuurtje wilde niet zo vlotten. Op het laatst, toen alleen de deur er nog in moest, kwam hij spullen te kort. Mijn vader fietste naar de Gamma en bleef een eeuwigheid weg. Uiteindelijk keerde hij met praktisch lege handen weerom. De ontreddering stond op zijn gezicht te lezen. Ik volgde het spoor terug naar de bouwmarkt en vond her en der op de Lammenschansweg de materialen die mijn vader was verloren. Toen ongeveer moet het begonnen zijn, de mentale en fysieke verslechtering die nooit meer is opgehouden.
El Mior heette de fameuze Leidse onderneming in blouses en hemden waarmee mijn vader ons dreigde als we er op school met de pet naar gooiden. Dat begon bij mijn oudste zus en eindigde bij de jongste. Wie niet leren wilde, kon bij El Mior gaan werken en het was duidelijk dat mijn vader daarbij niet aan een leidinggevende functie bij het textielbedrijf dacht.
Ik kijk naar ons schuurtje en herinner mij opeens een gesprekje aan het ziekenhuisbed in een van de laatste dagen van mijn vader. Er was bezoek van de tuinman van wie wij wisten dat hij pas na zijn pensionering uit liefhebberij aan het hovenieren was geslagen. Mijn vader wilde nou wel eens weten wat hij daarvóór had gedaan. Zijn hele werkzame leven bleek de tuinman in de textiel te hebben gezeten. Waar? Bij een verdwenen Leids bedrijf dat El Mior heette, maar dat zou ons wel niets meer zeggen, veronderstelde hij.
Mijn vader en ik keken elkaar aan en schoten in de lach. Voor de laatste keer samen.
DE ONWRIKBARE WERKBANK
Nu er geen leven meer in zit, biedt het ouderlijk huis een naargeestige aanblik. Ik probeer de woonkamer te vullen met beelden van vroeger, met mijn ouders, zussen en met de kleinkinderen, maar het wil niet meer. Komt door de kale muren, de versleten vloerbedekking en het verschoten plafond. Misschien maar beter zo. Het onherroepelijke afscheid valt me er lichter door.
Vijfendertig jaar terug kwamen wij hier te wonen. Van de Charlotte de Bourbonstraat naar het Essenpark gold in Leiderdorp als een hele vooruitgang. Het zat ‘m in de royale woonkamer en de riante tuin. Daar tegenover stonden krappe slaapkamers en dat gaf het gezinsleven al gauw iets benauwends. Maar geen gezeur, het was een bungalow en in de vroege jaren zeventig wilde dat zeggen, dat we er warmpjes bij zaten.
Helder voor mijn geest staat de verhuizing van vaders werkbank 's ochtends in alle vroegte. Het enorme gevaarte werd achter de auto gebonden en met een slakkengang ging het door ontwakend Leiderdorp naar het de nieuwe woning op stand. Ik fietste er achteraan om een oogje in het zeil te houden en keihard op mijn vingers te fluiten mocht het lawaaierige transport de nieuwsgierigheid van een agent hebben gewekt. Het bijzondere transport verliep gladjes en de werkbank vond zijn draai in het Essenpark.
Wat mijn vaders ogen zagen, konden zijn handen maken. Hij zag van alles, papa, dus zijn handen waren alle vrije uren in de weer. Achter in de tuin doe het zelfde hij een werkplaats in elkaar. Alleen al met het ontruimen van die volgestouwde schuur zijn wij dagen in de weer geweest. Het was af en aanrijden tussen het ouderlijk huis en de gemeentewerf aan de Simon Smitweg. Vijfendertig jaar lang is mijn vader komen aanzetten met materialen en voorwerpen die hem ooit van pas konden komen. En vijfendertig jaar lang heeft hij niets weggegooid. Je kon immers nooit weten.
Oneindig veel klussen heeft hij geklaard, maar de grootste klus liet hij aan ons. We konden er wel om lachen, ook al kostte het ons een zee van tijd, werden er handen opengehaald, hoofden gestoten en kledingstukken onherstelbaar beschadigd. Nu is alles weg, behalve dan de werkbank, monument van de doe het zelver in onze vader. Nog immer staat hij fier overeind, onwrikbaar op zijn kolossale poten. Niet van zins het Essenpark ooit te verlaten.
Schoorvoetend zet ik mij aan een laatste ronde door het ouderlijk huis dat morgen niet meer van ons zal zijn. Na de dood van mijn vader, vorig jaar en niet zo lang na het overlijden van mijn moeder, heb ik hier als een huis tegenop gezien. Maar het valt mee. Nu de ziel er uit is, is er van de bungalow niets meer over dan wat hij daadwerkelijk is, een paar muurtjes en dat platte dak. Nog één keer tracht ik het verleden in herinnering te roepen, maar kom niet verder dan wat vage beelden.
Goed dan. Ik zeg mijn jongenskamer gedag, groet de werkbank en trek de voordeur achter mij dicht. Het is treurig weer. Mooi zo. Ik gooi mijn sleutel door de brievenbuis en hoor ‘m niet vallen. Het waait en regent te hard. Wegwezen hier.
Jaap Visser - 2005/2006

