Het is niet onmogelijk
Nieuwe Revu - 11-01-'07
Vijftien jaar lang sloegen onze tennisjongens een aardig balletje met de wereldtop, maar in het najaar van 2006 degradeerden ze behoorlijk kansloos naar de tweede divisie van de Davis Cup. Coach Tjerk Bogtstra vond het evenwel onbegrijpelijk dat zijn contract met de tennisbond niet werd verlengd. Kon hij er wat aan doen dat er geen Krajicek, Siemerink, Haarhuis, Eltingh, Schalken of Verkerk kon worden opgesteld in het degradatieduel met de Tsjechen?
Nee, daar kon autoverkoper en parttime coach Bogtstra inderdaad niets aan doen. Maar de val uit de wereldtop leek de bond nu eenmaal een geschikt moment voor een nieuwe start. Tjerk Bogtstra begreep daar geen moer van. Zijn vroegere pupil Jan Siemerink wel en daarom zei de voormalige nummer veertien van de wereld ja toen hij als keuzeheer voor de Davis Cup werd gevraagd. Hij kreeg de zegen van de technische man van de bond, Richard Krajicek, van de huidige nummer één van onze tennissers, Raemon Sluiter, en uiteindelijk ook van zijn oud-coach. `Doe maar Jan', zei Bogtstra toen Siemerink hem belde met de vraag of hij er onbezwaard in kon stappen.
En zo werd Jan Siemerink wat hij na zijn tenniscarrière maar al te graag wilde worden, captain van het Nederlands Davis Cup team.
`Hoe kom je daar in hemelsnaam bij?'
Een optelsom. Siemerink, ervaren jongen, vaderlandslievend, begaan met het lot van andere tennissers, opgewekt van natuur, alles bij elkaar niet zo vreemd dat de tennisbond bij zo iemand uitkomt.
‘Nee, eigenlijk niet, maar daar kwam ik pas achter toen ik werd gevraagd. Daarvoor heb ik er nooit aan gedacht.'
Raar.
‘Waarom? Ik heb nul ervaring als coach. Dan ga je er niet van uit dat ze jou voor zo'n klus geschikt vinden. Ik ga er sowieso niet zo snel van uit dat ik ergens geschikt voor ben. Neem dat commentaar geven op tv. Niks voor mij, dacht ik, want als speler vond ik er geen zak aan om naar tennis op tv te kijken.'
Geen zak aan?
‘Nee, maar dat komt omdat er niets leuker is dan zelf tennissen. Daar kom je achter als je stopt en dan blijkt ineens dat kijken naar tennis en er over lullen, analyseren zeg maar, het op één na leukste is.'
Je hebt je tv-werk, zo nu en dan speel je demonstratietennis en je hebt jonge kinderen. Je wekte sterk de indruk het leven wel mooi te vinden zo. Waarom ga je de uitdaging van de Davis Cup aan?
‘Juist omdát het een uitdaging is. En omdat het straks weer heel erg om winnen en verliezen gaat. De gevoelens die dat oproept zijn heftig, lekker. Toen de bond mij vroeg, ben ik gaan nadenken: ik heb twaalf jaar Davis Cup gespeeld, ik weet precies wat er allemaal bij komt kijken. Van die schat aan ervaring moet ik toch wat kunnen overdragen en als ik er dan een ervaren coach bij neem dan kan het best wat worden.'
Wie neem je er bij?
‘Weet ik nog niet, daar ben ik nu over aan het nadenken. Ik werk aan een plan van aanpak. Hoe komen we terug in de wereldgroep? Daarover praat ik met de bond. We hebben Sluiter, Schalken en Verkerk, routiniers van wie we ons afvragen: wat willen ze nog en wat kunnen ze nog? Dan is er een hele tijd niets en dan komt een talentvol groepje, jongens van onder de twintig. Tussen hen en de ouwe hap moet een brug worden geslagen.'
Maar dat is jouw taak toch niet? Captain van het Davis Cup team is een erebaantje. Je roept twee keer per jaar de beste tennissers van het land bij elkaar en daar ga je een paar dagen mee aan de slag. Bogtstra deed het er even bij, naast de autoverkoop.
‘Ja maar ik wil het anders doen. Natuurlijk, ook ik doe het er bij, maar ik wil er flink werk van maken. Juist het Davis Cup team kan een geweldige inspiratiebron voor die jonge talenten zijn.'
Hoe ga je het aanpakken?
‘De talenten zitten in Jong Oranje en dat traint geregeld in Almere. Daar wil ik mannen als Sluiter naar toe halen. Zo is meteen de gigantische afstand tussen Jong Oranje en de Davis Cup weg. Robin Haase van negentien moet trainen met Sluiter van achtentwintig. Dat is goed voor Robin en niet slecht voor Raemon. In Almere moet iets op gang komen waardoor de twee uitersten van ons tennis naar elkaar toekomen. Er moet een sfeer ontstaan van: het is niet onmogelijk.'
Wat is niet onmogelijk?
‘Dat onze Davis Cup ploeg terugkeert op het hoogste niveau en dat die jonge gasten top honderdspelers worden.
Daar hebben we er nu niet één meer van. Wat is er eigenlijk misgegaan?
‘Moeilijk te zeggen. Ik heb ook helemaal geen zin om met die vraag te gaan worstelen. Er is maar één vraag relevant: hoe krijgen we nieuwe top honderdspelers? In mijn tijd gingen we met zes man naar de Australian Open. Nu zit daar niet één Nederlander. Op grote toernooien waren we vaak met z'n tienen. Gingen we 's avonds de restaurants af. "Heeft u een tafel voor tien? Nee? Proberen we 't verderop". Als we dan eindelijk met z'n allen zaten, kwamen de oude verhalen op tafel.'
Wat nou oude verhalen, jullie waren twintigers.
‘Ja maar de meesten van ons trokken al jaren met elkaar op. Krajicek en ik zijn praktisch samen opgegroeid, als tennissers. Aan tafel is het dan al gauw: weet je nog van toen? Met een grote groep is dat lachen. De één gaat over de ander heen en voor je het weet is het een vrolijke, luidruchtige bende.'
Gezellig, Hollanders samen in den vreemde. Maar wat had je daar als tennisser aan?
‘Veel, heel veel zelfs, want aan die tafel zaten altijd wel een paar winnaars. Die trokken de rest mee. Had jij die dag verloren dan ging je 's avonds mee in de euforie van de winnaars. Zo raakte je er sneller bovenop. De jongens van nu reizen hooguit met z'n tweeën, maar vaker nog alleen de wereld rond. Dan slaat de eenzaamheid en de frustratie van een nederlaag veel harder toe. Als je er in Qatar in de eerste ronde uitvliegt en de week er op in Nieuw-Zeeland weer is dat best heftig.
Je kan toch ook zeggen: daar worden ze hard van, tennis is een individuele sport?
‘Tuurlijk, in wezen ben je als tennisser altijd op jezelf aangewezen. Maar dat wil nog niet zeggen dat je een loner moet zijn. Het is toch gewoon aangenaam als je samen kunt reizen en 's avonds samen aan tafel kunt? Ik ging me daar beter van voelen en dat kwam mijn tennis ten goede. Ook heel aangenaam is dat je met een groepje landgenoten zo fijn kunt voetballen.'
Voetballen?
‘Ja, dat deden we vaak aan het eind van de middag, voor de lol en als conditietraining. Een uur, anderhalf uur partijtje, pittig hoor.'
Hoe ging dat dan? In een hal, met handbaldoeltjes of zo?
‘Gewoon overal, binnen, buiten, truien op de grond als doelpalen en knallen. Vijf tegen vijf. We zaten eens in Doha, in Qatar, waar het altijd mooi weer is, behalve die ene keer. Regen. Er was een binnenbaan, maar daar wilde iedereen tegelijk op trainen. Dus je moest inschrijven, voor een half uurtje. Toen hebben we met alle Nederlanders heel uitgekiend, achter elkaar ingeschreven zodat we die baan drie keer een half uur voor ons was. Netpalen er uit en voetballen.'
Deden er wel eens buitenlanders mee?
‘Ivanisevic kwam elke dag vragen of er nog gevoetbald werd. Die wilde altijd meedoen. Aardige voetballer hoor, linkspoot, alleen nooit meeverdedigen hè.'
En jij, ook een linkspoot natuurlijk?
‘Ja maar wel één die meters maakte. Ik deed m'n werk, maar net als bij het tennis was ik achterin niet zo veel waard.'
Krajicek, balletjes afwachten zeker?
‘Nee, die werkte ook wel, alleen was hij niet zo technisch als je van hem zou verwachten. Wel heel doelgericht en fysiek sterk. Kraai is een hele sterke gozer. Haarhuis wilde altijd mid-mid en van daaruit ging hij dan gigantisch lopen. Als het even kon waren ook Van Lottum en Sluiter van de partij. Echte zaalvoetballers die twee.'
Voetbalden er nog andere buitenlanders mee?
‘Spanjaarden. In het begin had ik niets met die klanten, maar dat kwam door hun typische tenniscultuur. Daar heb je ze weer, die gravelhappers met hun rooie sokken, dacht ik dan. Altijd maar die rooie sokken van het gravel. Als ze 's avonds uit eten gingen, hadden ze nog rooie sokken aan. Door het voetbal kwam er toch contact. Dan riep je: "Van Gaal" en had je meteen een discussie over Barcelona. Dat schept een band.'
Hoe keken de Amerikanen tegen dat voetbal aan?
‘Die vonden het tien keer niets. Voetbal? Dat is een wijvensport. Gek hè, maar ik had dus helemaal niets met die Amerikanen. In het voorbijgaan was het hoi en hoi terug, meer niet. Zo'n Agassi vond ik maar een popi Jopie, een enorme uitslover. Dat is pas de laatste jaren over gegaan. Toen kwam het respect, voor z'n geweldige tennis en z'n geweldige drive. Op het laatst was ik bijna een fan ‘m. Agassi is een icoon, maar die Amerikaanse tennissers, als groep, daar hebben we ons toch altijd behoorlijk tegen afgezet. Eigenlijk is het in het toptennis heel erg Europa tegen Amerika.'
Samen voetballen, samen uit eten, wil je dat sfeertje ook creëren in Almere, als de talenten de routiniers ontmoeten?
‘Niet creëren, dat heeft geen zin. Als het van mij uit moet komen, werkt het niet. Als ik ga zeggen: "Hup jongens, de tafels tegen elkaar, is het geforceerd". Als ze spontaan die tafels tegen elkaar schuiven, gebeurt er wat. Ik zou het prachtig vinden, want het zou betekenen dat ze het begrijpen, dat ze beseffen: hier word ik beter van, hier worden we allemaal beter van. En als ze allemaal beter worden, kunnen ze straks met z'n allen de wereld rond trekken.'
Ga jij dat ook tegen ze zeggen? Kijk naar mij, ik ben er gekomen door me aan anderen op te trekken?
‘Nooit. Ik zal tegen die gasten nooit uit mezelf over mijn tennisverleden beginnen. Niks vervelender dan een coach die zichzelf op de borst staat te trommelen. Het interesseerde mij ook geen hol wat mijn coach als tennisser had gepresteerd. Als hij me maar kon prikkelen, uitdagen, beter maken.'
Jij ziet de Davis Cup als inspiratiebron, maar is tennissen voor de eer van je land geen valse romantiek? Jij tennisste toch ook gewoon voor de poen en je plaats op de wereldranglijst?
‘Zeker, maar de Davis Cup gaf mij toch een geweldige kick. Elke Davis Cup-wedstrijd kan ik mij herinneren als de dag van gisteren. Elk detail. Dan heeft het toch wel wat betekend. Het volkslied deed iets met me. Het was niet zozeer dat ik voor volk en vaderland wilde strijden, maar ik voelde wel dat ik daar stond namens héél tennissend Nederland. Zag ik Haarhuis en Eltingh op de bank zitten dan wist ik: die zijn reserve omdat ik sta opgesteld. Nu moet ik wel even wat laten zien. Vergis je niet in de impact van de Davis Cup, het is toch het WK voetbal met al die media-aandacht en wereldwijde deelname. Honderdvijftig landen meneer. Het is geen schaatsen.'
Daar zeg je wat. Schaatsen. Dat heeft een vrolijke en frisse uitstraling. Die is het Nederlandse tennis toch wel kwijtgeraakt. Martin Verkerk die in interviews maar blijft huilebalken over alle ellende die hem is overkomen.
‘Dat het publiek nu even geen boodschap heeft aan Verkerk, maar wel aan die fruitige schaatsers, begrijp ik. Dat komt omdat die schaatsers zo veel winnen en het publiek identificeert zich nu eenmaal met winnaars. Schaatser hebben niet veel concurrentie en winnen dus veel. Dat spreekt aan. Toen Verkerk de halve finale op Roland Garros won, liep iedereen in polonaise achter hem aan.'
Maar toen hij geblesseerd raakte, ging hij alle kroegen van het land af en uit frustratie mobiele telefoontjes in het water flikkeren. Niet zo gek dat het publiek hem dan laat vallen.
‘Als iedereen hem opeens een arrogante, verwende, vervelende gozer vind, vind ik dat prima, maar loop dan ook niet mee in de polonaise als het goed gaat.'
Jij verdedigt Verkerk, want misschien kun je hem nog eens gebruiken.
‘Helemaal niet, ik vind alleen dat hij wel wat meer krediet verdient. Hij heeft toch in de finale van Roland Garros gestaan, hij is de enige Nederlander die dat heeft gepresteerd.'
Verkerk geblesseerd, Schalken geblesseerd, Sluiter uit vorm en over drie maanden voor de Davis Cup tegen Engeland. Wat gaan we doen, winnen?
‘Dat is wel de bedoeling. De kans dát we winnen, is niet erg groot. Al helemaal niet als naast top twintigspeler Andy Murray ook de oudgedienden Henman en Rusedski mee kunnen doen. Maar we gaan er wel aan werken. Om te beginnen in Almere. Daar moeten onze jongens het idee krijgen dat het niet onmogelijk is. Dat niets onmogelijk is.'
Jaap Visser - 11-01-'07

