Broertje van Wennemars
Nieuwe Revu - 08-11-'06
De jonge hardrijder op de schaats is blijkbaar een man van de klok. De afspraak: 11.00 uur hotel Tjaarda, Oranjewoud, in de bossen bij Heerenveen. Om twee voor elf komt hij voorrijden in een kekke terreinwagen met sponsorreclame, om klokslag elf zit hij tegenover me aan de cappuccino. Sven Kramer, 20 jaar nog maar, komt zelfverzekerd over. Hij heeft een scherpe blik, kijkt zelfs een tikkeltje uitdagend: kom maar op met die vragen?
Toeval dat je zo exact op tijd bent?
‘Nee. Ik leef best planmatig en dat komt mijn presteren ten goede. Het geeft rust.'
Je kan er ook van in de stress raken, altijd maar die klok in de gaten houden.
‘Kwestie van op z'n tijd de planning los durven laten. Ik kan heel goed trainen en leven op schema's als ik weet dat het ook weer een tijdje zonder mag. Zo voorkom je dat je gek wordt.'
Sven Kramer is de Klaas Jan Huntelaar van het schaatsen. Jeugdig, beregoed, wilskrachtig en gewoon, een frisse jongen uit de provincie Het publiek is gek op zulke no nonsense-sporters en hoewel ze er zich er niet naar gedragen, zijn Kramer en Huntelaar vedetten. Daar zou vroeger alleen de voetballer miljonair van worden, maar als Kramer een beetje heel blijft en niet de kolder in de kop krijgt, kan hij na zijn carrière samen met Huntelaar niks gaan doen.
Raar idee wel dat jij op je dertigste binnen kunt zijn, door het schaatsen.
‘Ja, raar, nu je het zo zegt. Ik denk daar voor de rest nooit aan.'
Wat betalen ze jullie bij TVM, wielersalarissen?
‘Ik weet niet wat ze in het wielrennen betalen, maar ik denk dat het schaatsen TVM minder kost dan het fietsen en volgens mij levert het nog meer publiciteit op ook.'
Toch opmerkelijk, een kleine sport als schaatsen...
‘Kleine sport? Mondiaal stellen we steeds meer voor. En onze sport is zó allemachtig ontwikkeld. Als je nu een kleine misslag maakt, ben je gezien. Dat kun je nergens meer goed maken. "Het is maar schaatsen", wordt er dan gezegd. De groeten. Onze trainingsschema's, de wetenschappelijke begeleiding, het is allemaal van een heel hoog niveau. Andere sporters kunnen een voorbeeld nemen aan ons professionalisme.'
Voetballers bijvoorbeeld.
‘Nou en of. Ik ben een trouwe supporter van Heerenveen en ik spreek wel eens met die voetballers. Die trainen één keer per dag en dan vraag ik me toch af: wil je dan niet nóg beter worden, nóg sterker? Ik weet heus wel dat voetballers schoppen en klappen bij de vleet krijgen. Het is vaak: wedstrijd spelen, herstellen, wedstrijd spelen, herstellen. Je kunt voetballers moeilijk met schaatsers vergelijken, maar ik durf te beweren dat wij verder zijn. Voetballers zouden alleen al aan het trainen van buik en rug veel meer kunnen doen. Ze moesten eens weten hoe sterk ze daar van zouden worden. En hoe veel beter hun coördinatie zou worden. Ze zouden veel makkelijker schoppen kunnen weerstaan en ontwijken.'
Goed dan, topsport dat schaatsen, maar zo onderhand zitten jullie wel aan het plafond. Nog meer media-aandacht lijkt me sowieso onmogelijk.
‘ O ja? Ik denk dat het nog hoger kan. Dat plafond zie ik nog niet. Om te beginnen kan het schaatsen spectaculairder in beeld worden gebracht. De snelheid zou meer benadrukt moeten worden. De spanning voor een race, de ontlading er na, ook daar kan nog mooiere tv van worden gemaakt.'
Want jullie schaatsers staan daar heel open voor. De camera is verliefd op jullie.
‘Wij verkopen onze sport gewoon goed.'
Da's waar, als ik het vergelijk met tennis. Zo'n Martin Verkerk die bij een beetje tegenslag ophoudt met tennissen en mobieltjes in het water gaat lopen gooien.
‘Daar heb ik me over verbaasd. Toen hij op tv kwam vertellen hoe zwaar hij het had, dacht ik: waarom doe je dat, wat heeft de sport daar nou aan? Een schaatser zie ik dat echt niet doen. Wij zeuren niet zo gauw. Schaatsen is echt, schaatsen is gezond, clean en veel op tv. Ik snap heel goed dat een sponsor als TVM zegt: laat maar zitten dat fietsen, we stappen in het schaatsen.'
Zestien was Kramer, en een belofte voor de lange afstand, toen hij zich op het NK voor B-junioren afvroeg waar hij in godsnaam mee bezig was. Het liep van geen kant en zijn klassering na drie afstanden was zo slecht dat hij niet eens mee mocht doen aan de drie kilometer. Zijn afstand nota bene.
Dat is dus het moment waarop veel talenten afhaken en voortaan in het weekeinde met hun vrienden de kroeg in gaan.
Kramer: ‘Ik leefde best wel voor het schaatsen, maar ineens stagneerde de stijgende lijn. Het dreigde een vlakke lijn te worden. Toen heb ik tegen mijzelf gezegd: "Dat niet". Ik ben zo verschrikkelijk hard gaan trainen, de hele zomer door, fietsen vooral, ik heb wedstrijden gereden, veel wedstrijden.'
En je vrienden maar stappen.
‘En ik maar thuis zitten: 't kan niet, 't kan niet, ik kan niet met ze mee, ik wil de beste schaatser ter wereld worden. Dat wilde ik echt, ik wilde het zo erg dat het me ook geen zak interesseerde dat mijn vrienden wel gingen.'
Kramer ging met sprongen vooruit. Op zijn negentiende stond hij op het podium bij het EK en WK allround, daarna reed hij wereldrecords op de vijf en tien kilometer en won hij zilver en brons op de Winterspelen. Turijn 2006 was een leerschool voor Kramer. Door een kleine onachtzaamheid ging hij onderuit in de halve finale van de ploegenachtervolging en vlak voor de start van zijn 1500 meter kreeg hij materiaalpech. Harde lessen voor 2010, wanneer de Spelen van Vancouver de zijne moeten worden. Turijn heeft Kramer wijzer gemaakt. En gehard.
Maar je kunt deze theorie nog maar beter niet aan de gruwelijk ambitieuze schaatser voorleggen. Dan krijg je dit.
‘De spelen? Hou op man. Wat nou leerschool? Ik was daar niet om te leren, maar om te presteren. Ik was daar als een van de kanshebbers, ook op de 1500 meter. Ik ben er mentaal helemaal naar de vernieling in gegaan. Voor de ploegenachtervolging dacht ik: het moet wel heel gek lopen, willen we geen goud halen. En het liep gek, heel gek, en dan nog door mijn toedoen ook. De eerste dag van de Spelen was oké, daarna was het behoorlijk shit allemaal.'
Maar je hebt er toch van geleerd?
‘Tuurlijk joh. Ik neemt 't mee, allemaal, en in Vancouver zal ik er mijn voordeel mee doen. Maar daar heb ik nu helemaal niets aan. Er lagen kansen in Turijn en die heb ik niet gegrepen. Dát telt.'
Kijken en luisteren naar Kramer, die je aandachtig aanhoort en dan ineens ontvlamt in een gepassioneerde reactie, doet denken aan Erben Wennemars.
De sprinter had me er al eens op gewezen. ‘Die Sven zou m'n broertje kunnen zijn. Hij mag dan meer een stayer zijn, er zijn frappante overeenkomsten.'
Hoe zit dat?
Kramer: ‘We hebben bij TVM laatst een psychologische test gehad. Daar kwam uit dat Erben en ik precies dezelfde types zijn.'
Dat wil zeggen?
‘Allebei een open boek, niet bepaald binnenvetters.'
Verrassend?
‘Niet echt. Dat konden we zelf ook wel verzinnen. Erben en ik trekken veel naar elkaar toe. Vooral in mentaal opzicht is hij belangrijk voor mij. Erben heeft in zijn carrière fouten gemaakt, die ik dreig te maken. Het te zeer focussen op een resultaat, op één wedstrijd, op één afstand. Daar kun je jezelf horendol mee maken.'
Wennemars is relaxt geworden.
‘Ja man. Laatst deed die gek in de auto een wedstrijdje tegen zijn benzinemeter, Kwam-ie zonder te staan en is-ie rustig in de berm gaan zitten, beetje mensen bellen. Ik zou ter plekke een zenuwinzinking krijgen. M'n hele planning weg.'
Dat drukke bij jou, dat er ineens is, past eerder bij een sprinter dan bij een stayer.
‘Dat zei Geert Kuiper, een van onze trainers, laatst ook. "Qua karakter zou je wel een sprinter kunnen zijn, Sven. Jammer alleen dat je op de sprint niet vooruit te branden bent". Zo, stond ik meteen op m'n plaats.'
Hoe zit het eigenlijk met die matige sprint van jou?
‘Mwah. Er zit verbetering in. Op de 500 meter was ik vorig jaar één op de vijf keer goed, de rest was een drama. Nu zijn twee op de vijf sprints goed. Ik voor de 500 meter heb ik baat bij Erben. Kijken op de training, hoe hij weg komt: starten en meteen bam, bam, bam. Dat wil ook. Ik wil gewoon een hele acceptabele 500 meter leren rijden zodat ik echt iets te zoeken heb op allroundtoernooien. Ik kan ook zeggen: ik hou het bij mijn specialiteiten en concentreer me op de afstandstoernooien en op de Spelen. Maar ik wil alles. Ik wil gewoon álles. Alles is de ultieme uitdaging. Ik blijf niet voor niets thuis als mijn vrienden gaan stappen. Ik wil gewoon de beste schaatser ter wereld worden.'
Toen Kramer met wedstrijdschaatsen aanving, was hij de zoon van. Maar Sven gleed al snel uit de schaduw van Yep Kramer, in de jaren tachtig een behoorlijke langebaanschaatser en daarna een marathoncrack.
Lastig of handig zo'n schaatsvader?
‘Eigenlijk geen van beide. Ik wist niet beter dan dat mijn vader altijd maar aan het schaatsen was. Maar hij heeft mij nooit gepusht. Hij heeft mij altijd gewoon m'n gang laten gaan. Als kind mocht ik voetballen, tennissen, wielrennen, shorttracken. Ik heb alles gedaan en ben er zelf achter gekomen dat het langebaanschaatsen mijn sport is.'
Jouw vader trainde dat de stukken er af vlogen. En jij?
‘Ik ook. Dat is vanzelf zo gekomen. Mijn vader heeft zich ook daar niet mee bemoeid, maar hij heeft me natuurlijk wel beïnvloed. Automatisch ging ik net zo hard trainen als hij. Daardoor heb ik heel veel inhoud gekregen. Ik weet zeker dat ik meer heb getraind dan mijn leeftijdgenoten en dat heeft mij een voorsprong gegeven. Het gaat in de sport niet om leeftijd, maar om trainingsjaren. Neem Carl Verheijen, die is pas op z'n twintigste zo hard gaan trainen als ik op mijn zestiende. Dan pak je toch even vier jaren.'
Weet je nog wanneer het is begonnen?
‘Niet precies, maar ik weet wel waar: in Inzell. Mijn vader was er aan het trainen en trok me het ijs op. Als klein ventje vond ik dat super gaaf en ik had meteen grote lol in het schaatsen.'
Wat is voor jou die lol?
‘Dat je heel makkelijk hard kunt gaan. Je maakt een paar simpele, krachtige bewegingen en daar ga je. En dan raak je in een flow en dan komt dat machtige gevoel dat je eindeloos door kunt gaan, dat je op de tien kilometer zoiets hebt van: als het vandaag twintig kilometer wordt, is het ook goed. Dat is kicken, onwijs kicken.'
Wat kenmerkt de schaatser Sven Kramer? Gevoel, doorzettingsvermogen, nog meer?
‘ Perfectionisme. Heel erg, en dat komt omdat ik zo veel gevoel voor schaatsen heb. Ik heb er zo'n gevoel voor dat ik elke oneffenheid opmerk. Daarom kan ik me over het kleinste detail ook zo druk maken. Dan zeggen anderen: "Ach joh, maakt het uit". Donder op, voor mij maakt het alles uit, want ik voel alles en ik voel het echt. Het optimaal afstellen van lichaam, geest en materiaal is voor mij van doorslaggevend belang. Het is voor mij dus pure noodzaak om perfectionist te zijn.'
Vandaar ook dat je een man van de klok bent. Maar je zei dat je de planning ook wel eens loslaat, om te voorkomen dat je gek wordt. Wat doe je dan, de beest uithangen?
‘Nee, dat gaat niet meer. Ik hou me toch een beetje in en als ik uitga, doe ik dat het liefst in Amsterdam waar ik nog een beetje anoniem kan zijn. Ik mag graag in het Palladium zitten, met wat goeie mensen.'
Zetten die je ook in de luwte als het uitgaanspubliek iets van je wil?
‘Absoluut, maar soms is er geen houden aan. Als dat gebeurt, ben ik zo weg. Aan dat opdringerige heb ik een onwijze hekel.'
Waar doel je nu op, meisjes?
‘ Ook.'
't Is behoorlijk rock & roll geworden hè, dat schaatsen?
‘ Behoorlijk ja.'
Verkering?
Nee, niet meer.
Een beetje vastigheid schijnt goed te zijn voor een topsporter. Voetbaltrainers zeggen altijd: hoe eerder ze trouwen hoe rustiger ze worden.
‘Ja, en wat zie je dan? Zijn die gasten uitgevoetbald, weten ze niet hoe snel ze moeten scheiden. Om de schade in te gaan halen. Mij niet gezien. Ik blijf voorlopig single. De schaatssport is booming en ik ben niet nou niet bepaald een boring type. Dan lijkt het me niet zo handig om zo snel mogelijk te gaan trouwen.'
Jaap Visser - 08-11-'06

