Johnny Be Good
Nieuwe Revu - Jaap Visser - oktober 2006
De boezemvriend is onbaatzuchtig. Hij kent zijn plaats, in de schaduw van de man om wie het draait. Het is nooit anders geweest. Toen ze nog samen voetbalden, gaf John van 't Schip de voorzetten en maakte Marco van Basten de goals. Nu ze bondscoaches zijn, draagt de vroegere rechtsbuiten de ideeën aan en beslist de midvoor. De boezemvriend vindt dat het zo hoort.
‘Deze rolverdeling is de meest natuurlijke. Marco is de grote naam, meer haantje de voorste ook. Het samenwerken gaat als vanzelf. We zitten praktisch altijd op één lijn en als dat een keer niet het geval is dan beslist Marco. Dat gaat ook vanzelf, het is iets vanzelfsprekends.'
Johan, september 2004
Van 't Schip de aangever en Van Basten de afmaker werken samen op basis van gelijkwaardigheid. Maar zo functioneert het alleen achter de schermen. Naar buiten toe is er wél onderscheid: Van 't Schip is de nummer twee. Ook al spreekt Van Basten immer van ‘we'. ‘Wé zien het zo', ‘wé hebben dit beslist', en ‘wé willen dat bereiken.'
In het schijnsel van de stadionlampen opereren ze naast elkaar, de boezemvriend en de bondscoach, maar in de spotlights van de camera's verschijnt Van Basten solo. Als coach nummer één de keuzes en beslissingen van de Oranjestaf verantwoordt, houdt nummer twee zich op de achtergrond. De afmaker is Van Basten ook als er eigenzinnige internationals een kopje kleiner moeten worden gemaakt. Mark van Bommel of Ruud van Nistelrooij kleineren, doet de bondscoach zelf. Hij kan meedogenloos zijn, de koele killer van weleer wordt niet geplaagd door een knagend geweten. Volgens zijn assistent is dat precies de reden waarom Van Basten een wereldvoetballer werd en hij niet. Van 't Schip kon geen kreng zijn. John was te lief. Johnny Be good.
‘Wij waren zeventien en speelden in het tweede. Johan zei tegen Linder: "Die twee moet je er bij halen". Dat was het begin van de bijzondere relatie tussen Johan en ons.... Praten, praten, praten, altijd maar wilden we met hem praten en altijd maar wilde hij met ons praten. Dat was ook zo toen hij onze trainer werd en uiteindelijk is het contact altijd gebleven.'
Johan, september 2004
Ajax moest PSV mijlenver voor zich dulden toen Johan Cruijff ineens terugkeerde in de Watergraafsmeer. Kurt Linder, de Zwitserse oefenmeester, klooide maar wat aan, maar was bijdehand genoeg om zijn oor naar De Verlosser te laten hangen. Er werd geen wedstrijd meer verloren en Ajax werd met overmacht kampioen. Terwijl Cruijff met die legendarische lobgoal zijn wederkomst als Ajacied een schitterende gloed gaf, viel Van 't Schip ongemerkt in. Dat was op 6 december 1981. Vier maanden later debuteerde ook Van Basten, vanzelfsprekend met een goal.
Omdat Ajax in zijn beste speler ook de ideale leermeester voor een beloftevolle selectie had, kon Linder gaan. Assistent-trainer Aad de Mos mocht als hoofdcoach het eerste elftal verder verjongen en Cruijff ondersteunen. Ajax werd wederom kampioen, maar in De Meer werd het hommeles. De humeurige voorzitter Harmsen vond dat Cruijff te veel praatjes kreeg en te veel bemoeienis had met Ajax-zaken buiten het veld. Omdat hij de club niet wilde uitleveren aan de BV Nummer 14 begon Harmsen hatelijkheden over Cruijff te brommen. De getergde virtuoos haalde op verbijsterende wijze zijn gram. Hij stapte over naar de erfvijand en inspireerde een vrij middelmatig Feyenoord tot de eerste landstitel in tien jaar.
‘Van Basten en Van 't Schip werden langzamerhand professors. Ze gingen op de training commentaar leveren zoals Cruijff dat deed, en ik wist zeker dat het niet van hen kwam; het was begonnen toen ze bij Cruijff thuis kwamen.'
Aad de Mos in Het Mysterie Marco
Van 't Schip en Van Basten, toen al vrienden, trokken naar Cruijff als ijzer naar een magneet. En dat bleef zo toen Cruijff voor een grootse wraakoefening naar Rotterdam vertrok. In zijn derde seizoen als hoofdtrainer verloor De Mos de greep op het nog altijd jeugdige Ajax. Dat kwam door die twee beschermelingen van Cruijff die thuis in Vinkeveen als eerstejaars oud-voetballer begonnen was om trainer te worden.
In Het Mysterie Marco, Johan Fabers biografie over Van Basten, vertelt De Mos hoe hij langzaam maar zeker bij Ajax onderuit ging. Van 't Schip en Van Basten gingen zo vaak bij Cruijff op de koffie dat de rest van de selectie ze de FC Vinkeveen ging noemen. Toen Van 't Schip vanwege een hernia langdurig plat moest, gebeurde het ‘ altijd maar praten' in zijn ouderlijk huis in Amstelveen. De val van De Mos kwam toen het kampioenschap al bijna binnen was. De FC Vinkeveen stak geen hand naar de wankelende trainer uit, erger nog, Van Basten gaf ‘m nog een zetje. Toen het even niet zo lekker met liep met de jonge topschutter en verslaggevers naar zijn kwakkelende vorm informeerden, merkte hij snedig op dat die De Mos nog nooit in vorm was geweest.'
Het bestuur verdenkt Cruijff er van te willen stoken in het Ajax-kamp. Pure kolder. Alles wat Cruijff zegt over Ajax wordt door het bestuur bewust verkeerd uitgelegd. Maar Johan is in zijn hart nog steeds een Ajacied. En als hij mij advies geeft dan komt dat niet alleen mij, maar ook Ajax ten goede.'
GPD, december 1984
Johannes Nicolaas van 't Schip was net 21 geworden toen hij vanaf zijn ziekbed ferme taal sprak in een interview met de regionale GPD-kranten. De rugpatiënt hekelde voorzitter Harmsen die volgens hem prestaties verlangde zonder in het voetbal te willen investeren. Sponsors zat bij Ajax, volgens Van 't Schip. ‘Wel acht of negen, maar op het veld zie je daar weinig van terug.'
De opmerkelijke vrijmoedigheid van de doorgaans toch bedaarde rechtsbuiten werd twintig jaar later door De Mos verklaard in Het Mysterie Marco. ‘Van 't Schip en Van Basten straalden een nieuw soort zelfvertrouwen uit. Wie deed ze wat? Johan Cruijff zelf stond achter ze.'
‘Johan Cruijff gaf mij eens een boek, toen hij trainer was van Ajax. ‘De kracht van het positief denken', heette het. Daar had hij kennelijk een bedoeling mee. Hij dacht dat ik niet overtuigd van mezelf was. Hij zag mijn kwaliteiten niet voldoende terug op het veld.'
NRC.next, juni 2006
In de rug gedekt door Cruijff schoot Van Basten linea recta door naar de wereldtop. Maar vriend Van 't Schip bleef een beetje hangen. En dat terwijl zijn beschermheer al 1981 toch had opgemerkt ‘dat die Van 't Schip alles kan, vooral over de bal heenkijken.' Daarmee wilde hij zeggen dat de rechtsbuiten zonder te kijken de bal aan zijn voet kon houden en dus de ogen vrij had om het speelveld te overzien. Cruijff kondigde de spelverdeler Van 't Schip aan.
Dat die uiteindelijk nooit zijn opwachting heeft gemaakt, lag aan het karakter van de lichtvoetige flankaanvaller. Een tikkeltje labiel, een beetje te bescheiden en iets te weinig ruggengraat ook. Lieve Johnny met zijn mooie passeeracties en knappe voorzetten kon niet hard zijn, voor anderen noch voor zichzelf. Zodra 't op het veld bij hem in de buurt oorlog werd, trok hij de beentjes terug. Van 't Schip kon zichzelf niet afpeigeren, anderen pijn doen evenmin. Hij kon niet, zoals vriend Van Basten, onbarmhartig zijn, een kreng.
John wil plotseling op een andere plaats spelen, maar daar hebben we momenteel een te goede bezetting voor. Zijn beslissing is een egocentrische gedachte, zonder stil te staan bij het teambelang.
Louis van Gaal in De Courant Nieuws van de Dag, oktober 1991
De enige keer dat Van 't Schip sinds dat GPD-interview van eind '84 voor ophef zorgde, was toen hij een plek op het Ajax-middenveld opeiste. Bij Louis van Gaal nog wel. Johnny had plots genoeg van dat kleven aan de zijlijn. Hij wilde vrij zijn, toch graag een beetje de spelverdeler uithangen die Cruijff in hem had gezien. Maar Van Gaal was niet onder indruk. Van 't Schip, John inmiddels, moest het veld breed houden en voorzetten geven, anders niet. De rechtsbuiten die middenvelder wilde worden, zette zijn rebellie niet door. Typisch Van 't Schip, hij bond in, keerde terug in het elftal, maar ging wel dwingender spelen. Vooral in de dubbele UEFA Cup-finale tegen Torino had hij eventjes iets weg van een leider, van een spelbepaler ook.
‘De trainer leert meer van ons dan wij van hem.'
Scott Booth in De Twentsche Courant Tubantia, oktober 2001
Dodelijk was de opmerking van de Schotse Twente-spits en een fijne aanmoediging voor het Tukkervolk op de tribune om de beginnende trainer week in, week uit in de zeik te zetten. In Enschede moesten ze hem niet, te Amsterdams die Van 't Schip, te mooie jongen, te afstandelijk. Bij Twente wilden ze vooral een trainer die zijn spelers voordoet hoe je het gras opvreet en geen gebruinde kop boven een maatkostuum die nonchalant leunend tegen de dug-out het onheil op het veld maar laat passeren.
Eén seizoen en nog een paar maanden hield Van 't Schip het vol in het verre oosten. De beledigingen van de eigen fans, tot bedreigingen thuis aan toe, gevoegd bij het geringe vertrouwen van spelers en bestuurders, joegen hem terug naar het westen.
‘Zo'n John van 't Schip die niet eens goed genoeg zou zijn om Quick Boys te trainen. Kijk waar die holkruiper nu zit omdat hij Van Basten goed kent. Bij FC Twente komen ze daar nog steeds niet van het lachen in slaap.'
René van der Gijp in het AD, juni 2006
Als grapjas René van der Gijp z'n mond open trekt, móet er iets koddigs uit komen, vindt hij zelf. Ook al is het lulkoek, als de mensen er maar om lachen. Van 't Schip een holkruiper? Dat dus beslist niet. De boezemvriend zit niet bij Oranje omdat hij Van Basten naar de mond praat, maar omdat de bondscoach niet zonder hem wil.
Na zijn afgang in Twente was Van 't Schip in alle rust met de Ajax-jeugd aan het werk toen het bij Van Basten begon te kriebelen. De gelegenheidsgolfer voelde zich terugdrijven naar het voetbal en meerde aan bij zijn beste makker. Van 't Schip wist vervolgens niet hoe snel hij met Van Basten van positie moest wisselen, Marco de hoofdcoach, hijzelf in een dienende rol, net als vroeger. Daar voelde hij zich het prettigst bij.
Typisch Van 't Schip, een voetbalbeest, dat wel, maar geen roofdier zoals Van Basten. Toen zij nog jongens waren, hadden ze misschien wel even veel aanleg. Het verschil zat ‘m in de verbetenheid. Johnny wilde lekker voetballen, Marco winnen, de allerbeste ter wereld worden.
Na de UEFA Cup-winst met het Ajax van Van Gaal was Van ‘t Schip in '92 naar Italië vertrokken. Bij Genoa verwierf hij de bijnaam Il Bello, en dat was dan om zijn goeie kop en niet vanwege mooi voetbal. Volgens columnist Jan Mulder was zonneklaar wat Schip daar aan de Ligurische kust zocht: luieren langs het water en aangenaam over het buikje wrijven.
Daar zat waarheid in, want Il Bello koesterde zich in de Italiaanse zon en in de luwte van het echte topvoetbal. Voor het gezin was het ook voortreffelijk toeven in Genua. Van 't Schip, de familieman, was er nauwelijks publiek bezit. Dat zijn vrouw Daniëlle de dochter van Willeke Alberti is, zei de paparazzi niets. Dat hielp.
Het voetbal mee naar huis nemen, deed Van 't Schip maar zelden. Maar als omstreden trainer van FC Twente kon hij niet anders. Het voetbal kwam zelfs bij hem aan de deur. Van 't Schip kreeg bewakers om zich te beschermen tegen doordraaiende fans. Hij walgde er van. En bij nader inzien vond hij zichzelf toch ook niet zo'n hoofdtrainer, tenminste niet voor een rumoerige provincieclub als FC Twente.
‘Je moet achterin vier spelers hebben die kunnen voetballen, bij hen begint het. Daar hameren we op.'
Brabants Dagblad, oktober 2005
Van Basten en Van 't Schip geloven nog altijd heilig in het voetbalevangelie naar Cruijff: 4-3-3, vier verdedigers, drie middenvelders en drie aanvallers (een rechts- en linksbuiten plus een centrumspits). Het klopt dat 4-3-3 de beste veldbezetting geeft en dat je er prachtig mee kunt voetballen. Mits de bal in jouw bezit is en jouw vleugelspitsen voorbij hun tegenstanders komen. En daar zit ‘m de kneep. Zelfs Luxemburg en Albanië maken vandaag de dag zo veel trainingsuren dat ook deze kleintjes de kunst van het verdedigen onder de knie hebben. Dubbele dekking is hun gepaste antwoord op typisch Hollands vleugelspel. De groten van het moderne voetbal zetten minstens vier, veelal vijf man op hun middenveld. Daar wordt Nederland in de zware wedstrijden dan ook behoorlijk zoek gespeeld.
Maar de discipelen Van Basten en Van 't Schip blijven volharden in het 4-3-3 van hun voetbalheiland. Want ooit komt er een dag dat Oranje de bal niet meer zal kwijtraken en zelfs Portugal en Italië niet zullen weten waar ze het zoeken moeten. Kortzichtigheid van de FC Vinkeveen, of ziet de drie-eenheid wat wij niet zien?
‘Het jammere is dat de bondscoach zich niet alleen laat leiden door voetbalkwaliteiten van spelers, maar ook door andere dingen. Ik noem dat het ik mag je-gehalte.'
Ruud van Nistelrooij in Sportweek, september 2006
Van der Gijp had het mis, Van Nistelrooij heeft meer gelijk dan Van Basten ooit zal toegeven. Het is een naar trekje dat bij de bondscoach al net zo hinderlijk aanwezig is als bij zijn influisteraar. Wel zelf tegenspreken, maar niet tegengesproken kunnen worden. Van Bommel, lastige Oranjeklant, schiet geregeld te kort in de ogen van Van Basten. Voetbaltactisch gezien. Maar rechtvaardigt zulk falen de vernederingen door de bondscoach? Een zeikerd ook, die Limburger, vindt Van Basten. Net als dat maatje van ‘m, Brabander Van Nistelrooij. Die ziet het niet, als spits, of te laat, zegt de bondscoach.
Van Basten selecteert geen vriendjes, maar wie hij niet mag, valt wel sneller af. Het afserveren is het werk van de hoofdcoach en niet van zijn assistent. Liquidaties komen voor rekening van het roofdier, en niet voor die van het brave voetbalbeest. Afmaken is niet de aard van Johnny be Good.
Jaap Visser - oktober 2006

